Stel je vraag

Britt.Valentyn's profile - activity

2019-06-10 09:33:16 -0500 received badge  Famous Question (source)
2019-06-06 12:53:43 -0500 received badge  Famous Question (source)
2019-05-12 14:10:18 -0500 received badge  Famous Question (source)
2019-05-11 09:31:03 -0500 received badge  Famous Question (source)
2019-04-16 02:27:35 -0500 received badge  Notable Question (source)
2019-04-16 02:27:35 -0500 received badge  Popular Question (source)
2019-04-13 04:03:15 -0500 received badge  Famous Question (source)
2019-04-09 05:48:57 -0500 received badge  Famous Question (source)
2019-02-21 03:03:47 -0500 received badge  Notable Question (source)
2019-02-09 02:52:58 -0500 received badge  Notable Question (source)
2018-07-21 14:22:49 -0500 received badge  Famous Question (source)
2018-07-02 18:27:12 -0500 received badge  Popular Question (source)
2018-07-02 07:14:05 -0500 received badge  Notable Question (source)
2018-07-02 02:17:38 -0500 received badge  Notable Question (source)
2018-07-02 02:05:25 -0500 received badge  Notable Question (source)
2018-07-01 16:45:31 -0500 received badge  Popular Question (source)
2018-07-01 16:35:38 -0500 received badge  Popular Question (source)
2018-07-01 14:20:37 -0500 asked a question Biologie, erfelijke informatie

Bij oefening 44 van erfelijke informatie (p.32) wordt de volgende uitspraak gedaan:

D) Zusterchromatiden bevatten de helft van de genetische informatie die op een chromosoom ligt

Waarom is deze uitspraak niet juist? Alvast bedankt!

2018-07-01 13:14:08 -0500 received badge  Popular Question (source)
2018-07-01 09:28:36 -0500 asked a question Biologie, fotosynthese

Een belangrijke bijdrage van water aan de lichtafhankelijke reacties bestaat uit het leveren van

a) protonen b) zuurstof c) fotonen d) elektronen

Ik dacht dat zowel A als D juist waren.

  • De elektronen worden gebruikt voor het elektronentekort in fotosysteem II.
  • De protonen worden gebruikt voor de protonengradiënt.

Is het antwoord hier A of D?

2018-07-01 05:14:30 -0500 answered a question fysica, versnelling

Stelling 1

Een geladen deeltje in een magnetisch veld ondervindt altijd de Lorentzkracht. Dus als het deeltje een kracht ondervindt, ervaart het ook een versnelling. Stelling 1 is juist.

Stelling 2

De grootte van de snelheid verandert niet, dus m.v^2/2 (Ekin) verandert ook niet. Stelling 2 is ook juist.

Stelling 3

Een geladen deeltje in een magnetisch veld volgt een cirkelvormige baan. Dus de grootte van de snelheid blijft constant, maar de richting verandert wel voortdurend. Bij stelling 3 vragen ze: vector v is constant en dat is dus fout.

2018-07-01 04:59:46 -0500 asked a question Biologie, eukaryote cel

De grens van de resolutie van een microscoop is de kleinste afstand tussen twee objecten die door de microscoop kunnen onderscheiden worden. Voor de lichtmicroscoop is dat meestal 500 nm, de afmetingen van een bacterie of van een mitochondrion. Voor een elektronenmicroscoop is de resolutie

  • A - tienmaal groter
  • B - honderdmaal groter
  • C - duizendmaal groter
  • D - miljoen maal groter

Dit is oefening 3 van de extra oefeningen van eukaryote cel. Zou iemand me hierbij willen helpen? Het antwoord is C.

2018-06-30 15:32:34 -0500 received badge  Associate Editor (source)
2018-06-30 15:27:51 -0500 asked a question Chemie, chemische kinetiek, 5-OI-06

Gegeven is de reactie 2A --> B + C (een eerste orde reactie).

Welk van de onderstaande uitspraken is correct?

  • A: De snelheid van deze reactie is constant.
  • B: Een grafiek van de hoeveelheid A in functie van de tijd is lineair.
  • C: De halveringstijd is afhankelijk van de beginhoeveelheid van A.
  • D: De reactiesnelheid is de helft van de verdwijningsnelheid van A.

Volgens mij zijn zowel A als B fout omdat deze grafieken logaritmisch zijn.

Kan iemand me verder helpen waarom D het juiste antwoord is?

Ook is hierbij een negatieve snelheidsconstante k gegeven (-0,5), wat is de betekenis hiervan?

Alvast enorm bedankt!

2018-06-30 13:23:59 -0500 answered a question Chemie evenwicht
  • In de eerste grafiek zien we een steeds groter wordende negatieve waarde krijgen voor log[A]. Dat betekent dat [A] steeds kleiner wordt.

    Er geldt altijd: volume stijgt --> verschuiving naar meeste aantal deeltjes. Hier zien we: als het volume stijgt, daalt [A], dus moet A staan aan de kant met het minste aantal deeltjes.

    Dat is antwoord A of B.

  • In de tweede grafiek zien we: de temperatuur stijgt terwijl de [A] daalt.

    Er geldt altijd: temperatuur stijgt --> endotherme reactie (warmte-opname) wordt bevorderd. Hier zien we: als de temperatuur stijgt, daalt [A], dus staat A aan de kant waar de warmte vrijkomt.

    Dat is antwoord A.

2018-06-30 11:08:29 -0500 answered a question Chemie evenwicht

Volgens mij is deze vraag al gesteld. Je vindt ze bij "Chemie 2017A6”.

2018-06-30 10:36:15 -0500 answered a question Chemie evenwichtsconstante

De waarde Kc kan enkel wijzigen door een temperatuursverandering.

Dus het antwoord is D.

2018-06-30 06:39:30 -0500 answered a question Wiskunde speciale integraal

Als je de integralen uitrekent, krijg je:

  • 1 . 1/2
  • 2 . 1/2
  • 3 . 1/2
  • ...

Dus je hebt n . 1/2 = 18

(1 . 1/2) + (2 . 1/2) + (3 . 1/2) + ... + (n . 1/2) = 18

1/2 . (1 + 2 + 3 + ... + n) = 18

n.(n+1) / 2 = 36

Zo kom je op een tweedegraadsvergelijking van n: n2 + n - 72 = 0

Via de discriminant (D = 1 + 288 = 289) kom je op n = 8.

2018-06-30 04:24:43 -0500 answered a question chemie grondtoestand

Ik denk dat je best de diagonaalregel volgt: eerst altijd 4s opvullen, dan pas naar 3d.

2018-06-30 01:42:47 -0500 received badge  Notable Question (source)
2018-06-29 15:07:18 -0500 answered a question 7-OI-02 chemie zuren-basen

Het aantal mol berekenen is inderdaad de eerste stap.

  • Voor HCl vinden we: aantal mol H+ gelijk aan 10-4 mol.
  • Voor NaOH vinden we: aantal mol OH- is gelijk aan 9.10-5 mol. (Hier dus eerst pH omzetten naar pOH!)

Dan de reactievergelijking opschrijven: HCl + NaOH --> NaCl + H2O

  • NaOH is het limiterend reagens dus reageert volledig weg. Op basis daarvan vinden we dat er 10-5 mol HCl overblijft na de reactie.

HCl zal dus als enige de verdere pH bepalen. Want: NaOH is volledig weggereageerd. NaCl is een zout, dus is neutraal. Water is ook neutraal.


De laatste stap is dus de pH berekenen van 10-5 mol HCl in een volume van 100 ml. Zo komen we op een pH gelijk aan 4.

2018-06-29 08:29:44 -0500 answered a question Chemie: pi-bindingen
  • Koolstof moet in een drievoudige binding zijn met stikstof, anders bereikt C de elektronenconfiguratie niet.
  • Het aantal pi-bindingen zijn dus de 4 dubbele bindingen die we zien + 2 van de drievoudige binding in CN.
2018-06-29 02:39:31 -0500 answered a question Chemie chiraal koolstofatoom

Een chiraal koolstofatoom heeft inderdaad 4 verschillende bindingspartners nodig.

Vaak is dit een koolstofatoom waaraan 3 verschillende takken gebonden zijn + een binding met een H-atoom.

  • 1e chiraal C-atoom: gebonden aan OH, rechtertak, linkertak en H-binding
  • 2e chiraal C-atoom: gebonden aan NH2, CH3, linkertak en H-binding
2018-06-29 00:48:15 -0500 answered a question biologie fout eeneiige tweeling

Het antwoord bij oefening 62 is D.

Het gaat over een ééneiige tweeling. Een ééneiige tweeling wordt ook een monozygote tweeling genoemd: zij komen voort uit één zygote. Dus zij zijn genetisch identiek voor hun geslacht en ook alle andere kenmerken.

Indien zij tóch een verschillend genotype hebben, moet de fout ontstaan zijn na de bevruchting. Dat is enkel bij antwoord D.

2018-06-28 15:49:21 -0500 answered a question Biologie erfelijke informatie

Profase 1 (meiose 1)

  • De homologe chromosomen kunnen tijdens profase 1 paren vormen.
  • Zo ontstaat de mogelijkheid tot chiasma: overlapping tussen twee niet-zusterchromatiden. (Op de figuur tussen het blauwe en het rode chromosoom.)
  • Bij chiasma kan crossing-over optreden. Dan gaan de niet-zusterchromatiden erfelijke informatie met elkaar uitwisselen. Zo ontstaan nieuwe genetische samenstellingen. (Op de figuur: het rode chromosoom krijgt een ‘nieuw stukje’ chromosoom van de blauwe en ook omgekeerd.)

Deze crossing-over is willekeurig en verschilt dus voor elke nakomeling. Vandaar dat het genotype van nakomelingen verschillend is van dat van hun ouders.


Profase 2 (meiose 2)

  • Deze profase is vergelijkbaar met de profase van de mitose. Hier treedt dus geen crossing-over meer op. Dit is dus geen verklaring voor het verschillend genotype van de nakomelingen.

Hopelijk heb je hier iets aan!

C:\fakepath\Chiasma&crossing-over.png

2018-06-28 12:44:11 -0500 answered a question Biologie: hormonale regeling
  • FSH zorgt voor oestrogeen, dus A en D zijn fout.
  • Het is door de lage concentratie aan oestrogeen en progesteron, dat de hypothalamus start met GRF vrij te geven. Dus er moet eerst een lage concentratie aan GRF zijn, dan pas een hoge concentratie.

  1. lage [oestrogeen] en [progesteron] --> hypothalamus geeft GRF vrij (start dus met lage concentratie)
  2. GRF --> hypofyse zet FSH vrij
  3. FSH --> eicelrijping + oestrogeenproductie
  4. hoge [oestrogeen] --> meer GRF --> LH-piek
  5. door LH-piek: ovulatie - geel lichaam produceert progesteron en oestrogeen

Dus: lage concentratie GRF, FSH, oestrogeen, GRF hoge concentratie, LH-piek, progesteron

2018-06-28 11:40:49 -0500 marked best answer Isomeren, 9-OII-11

Hoeveel verschillende structuurisomeren en stereoisomeren heeft het aldehyde C5H10O?

Het antwoord is 5.

Ik denk er al 4 te hebben gevonden:

  • pentanal
  • 2-methylbutanal
  • 3-methylbutanal
  • 2,3-dimethylpropanal

Zou iemand me willen helpen met de vijfde? Is de vijfde een stereo-isomeer? Alvast bedankt!

2018-06-28 11:40:49 -0500 received badge  Self-Learner (source)
2018-06-28 11:40:39 -0500 received badge  Notable Question (source)
2018-06-28 02:26:10 -0500 commented answer Fysica : nettokracht

Oké, bedankt Myriam! Geen nettokracht is dus altijd som van de krachten gelijk aan nul?

2018-06-28 01:54:22 -0500 answered a question Fysica : nettokracht

Ik denk dat er dan twee mogelijkheden zijn:

  • Oftewel is de som van de krachten gelijk aan 0 (de krachten heffen elkaar op)

    Voorbeeld: een voorwerp ligt in rust op de tafel: de nettokracht is nul want FZ = FN


  • Oftewel beweegt het voorwerp aan een constante snelheid.

    Voorbeeld: een auto rijdt met een constante snelheid op een rechte baan: FRES = 0

Hopelijk helpt dit jou verder!