Stel je vraag

Koen@REBUS's profile - activity

2019-05-22 08:22:53 -0500 answered a question Chemie 2018 arts vraag 1

Jouw oplossingsmethodiek is helemaal correct. Ik zou deze niet via redox oplossen daar dit alles een heel stuk complexer maakt.

2019-05-20 15:58:46 -0500 commented answer Chemie juli 2015-geel- vraag 4

Indampen zal zorgen dat al de concentraties verhogen maar niet dat er meer Cu++ wordt gevormd. Wat zal HNO3 als effect hebben op de concentratie OH- en naar waar verschuift het evenwicht?

2019-05-20 15:57:36 -0500 commented answer Chemie juli 2015-geel- vraag 4

Er staat dat het een verzadigde oplossing is, dus is er wel water aanwezig. Bijkomend is het belangrijk te weten dat NaOH een sterke base is die volledig splitst in Na+ en OH- . Dus toevoegen is de OH- concentratie verhogen en dus zal het evenwicht naar links schuiven en er zal minder Cu++ zijn.

2019-05-20 15:55:29 -0500 edited question Chemie juli 2015-geel- vraag 4
2019-05-20 15:52:26 -0500 commented answer Chemie juli 2015-geel- vraag 3

Wat kom je dan uit als juist antwoord en waarom?

2019-05-20 14:45:08 -0500 commented answer Chemie juli 2015-geel- vraag 3

Meer OH- ionen dan is de oplossing meer basisch (alkalisch). Of een pH die hoger ligt dan 7. bv. [OH-] = [10^-3] => pOH = 3 en pH = 11 is een hogere conc. dan [OH-] = [10^-6] => pOH = 6 en pH = 8. Dat maakt het soms complex met het negatief logaritme en pH en pOH. Kan je zo verder?

2019-05-20 14:36:31 -0500 answered a question Chemie reeks B 6.1.3

Is de reactie zoals ze in de opgave staat correct gebalanceerd?

Wat is je conclusie nadat je de juiste coëfficiënten hebt geplaatst.

2019-05-20 14:34:01 -0500 commented answer Chemie 2015-juli vraag 13

Post je je antwoord dan nog even voor je medecollega's?

2019-05-20 14:05:09 -0500 answered a question Chemie juli 2015-geel- vraag 3

De pH zal beïnvloed worden door het aantal mol OH- ionen. Hoe hoger de concentratie OH- ionen (mol/liter en het volume voor beide is 1 liter) hoe hoger de pH.

Indien je dezelfde massa KOH en NaOH neemt, welke van de beide stoffen geeft de grootste hoeveelheid mol OH- ionen?

Tip:

aantal mol = massa / molaire massa

2019-05-20 14:00:49 -0500 edited question Chemie juli 2015-geel- vraag 3

Beste

Ik begrijp deze oefening niet zo goed.

image description

Mvg

2019-05-20 13:48:58 -0500 commented answer chemie reeks A serie 7.3 oef 4

Wanneer een zuur twee protonen kan afsplitsen dan is het eerste equivalentiepunt de hoeveelheid base die je nodig hebt om dit eerste proton af te splitsen. Het tweede equivalentiepunt is de hoeveelheid base die je nodig hebt om ook dit tweede proton af te splitsen. Helpt dit?

2019-05-20 13:46:15 -0500 answered a question Chemie juli 2015-geel- vraag 4

Indampen wilt zeggen dat het water verdampt en daardoor de hoeveel oplossing vermindert.

Waarom zou B het juiste antwoord zijn. Probeer je redenering even te delen !

2019-05-20 13:43:20 -0500 commented answer chemie reeks A 9.1.6

Deze redenering is helemaal correct. Het ionenproduct voor zilverchromaat is kleiner dan de OPLOSBAARHEIDSconstante. (hier gaat het over een zout en niet over een zuur = kleine opmerking in de rand)

2019-05-20 13:41:10 -0500 commented answer Chemie 2015-juli vraag 13

Je reactie met butaan is niet correct uitgebalanceerd. Je hebt links 26 O-atomen en rechts slechts 13 O-atomen. Bekijk de methodiek eens in de Rebus-cursus pagina 43 om de reactie correct uit te balanceren. Lukt het dan wel?

2019-05-20 05:11:55 -0500 commented answer Chemie 2016-juli vraag 11

In de opgave staat dat de massagetallen twee eenheden verschillen. Dus Isotoop 1 heeft een massagetal 'x' en het tweede isotoop een massagetal 'x + 2'. OK?

2019-05-19 08:13:12 -0500 answered a question Chemie juli 2017- geel- vraag 10

Wanneer de formule van een organische molecule beantwoordt aan deze van een alkaan dan heeft deze molecule 0 overzadigdheden (dwz geen dubbele bindingen tussen O en C, geen dubbele bindingen of driedubbele bindingen tussen de onderlinge C-atomen of geen cyclyse structuren = ringstructuren).

De algemene formule voor een alkaan is de volgende: CnH(2n+2). Per verschil van twee H-atomen tov deze formule is er een onverzadigdheid of heeft deze molecule een dubbele binding/ringstructuur.

In deze opgave gaat het over de acyclysische verbindingen.

Hoeveel onverzadigdheden telt C24H48O2 ?

Cn(H2n+2) zou overeenkomen met een alkaan en dus C24H50 zijn. In deze molecule hebben we 2 H-atomen minder dus één overzadigdheid. 1 dubbele binding tussen O en C en dus geen dubbele bindingen.

Kan je de redenering verder afmaken en op deze manier de correcte oplossing aanreiken?

2019-05-18 17:13:33 -0500 answered a question Vraag 8 chemie tandarts 2018

De pKz van de indicator geeft het omslagpunt weer. Het omslagpunt waarbij het evenwicht verschuift is pH 4. Je kan deze indicator dus gebruiken om een verandering van pH tussen 3 en 5 te detecteren. Het zal dus antwoord C of D zijn.

Verder wordt de evenwichtsreactie van de indicator als volgt geschreven:

image description

Probeer zelf verder te redeneren wat de juiste oplossing zou zijn en deel je redenering via het forum.

2019-05-18 17:06:01 -0500 edited question Vraag 8 chemie tandarts 2018

Beste

Ik begrijp deze oefening niet zo goed.

image description

Mvg

2019-05-16 14:50:30 -0500 answered a question chemie reeks A 9.1.6

Wat zijn de verschillende stappen om deze opgave met succes op te lossen:

We hebben een beker waarin Cl-ionen (eenwaardig negatief) en CrO4- ionen (tweewaardig negatief) aanwezig zijn in een bepaalde concentratie.

Aan deze oplossing worden Ag ionen toegevoegd met een bepaalde concentratie.

Er wordt nu gevraagd of er een neerslag van AgCl (wit) of een neerslag van Ag2CrO4 (rood) zal ontstaan.

Wanneer krijgen we een neerslag? Dit gebeurt wanneer het product van de concentratie van de ionen *(zie ook REBUS cursus pagina 59) *, rekening houdend met de voorgetallen die we als exponent schrijven > is dan de Ks van deze specifieke reactievergelijking.

bv. voor AgCl hebben we de volgende reactievergelijking

AgCl(v) <--> Ag+ + Cl-

product van de concentratie van de ionen rekening houdend met de voorgetallen (in deze reactie zijn beide gelijk aan 1) moeten we berekenen.

[Ag] x [Cl] = 10 tot de min achtste x 0,1 = 10 tot de min negende en deze waarde is groter dan de Ks van AgCl dus zal er een witte neerslag ontstaan.

Schrijf jij nu de redenering verder uit voor de rode neerslag ... . Ontstaat er een rode neerslag? Waarom wel of waarom niet?

2019-05-16 11:49:00 -0500 answered a question Chemie reeks B 9.2.3

Oplossing B : 4 OH- ionen is wel degelijk de juiste oplossing.

De oplossingssleutel is blijkbaar fout !

Proficiat - puik werk.

2019-05-15 13:43:05 -0500 answered a question Chemie reeks B 4.2.3

Deze oefening maakt geen deel meer uit van de leerstof en mag je dus ook schrappen in de cursus.

2019-05-15 13:40:59 -0500 edited question Chemie reeks B 4.2.3

Beste

Ik weet niet zo goed hoe ik hieraan moet beginnen.

Mvg

2019-05-15 13:40:38 -0500 edited question Chemie, lewisformule

C:\fakepath\juist lewis formule.jpg

Hoe kan in dit geval weten welke, het juist lewisformule is?

Alvast bedankt

2019-05-15 13:38:49 -0500 edited question Chemie reeks A serie 9.1 oef 7

Hallo Ik kom voor de concentratie van AgNO3 telkens 0,5 . 10^-9 uit, maar dit is fout. Ik kom op dit antwoord door het oplosbaarheidsproduct (1,7. 10^-10) te delen door de concentratie van CL- (0,34M). Zou iemand mij kunnen helpen? Alvast bedankt.

2019-05-15 13:37:37 -0500 edited question Chemie - Evenwichtreacties

Kc is een evenwichtsconstante en gaat enkel veranderen bij hoge temperatuur , dus kc is onafhankelijk van ( de volume + concentraties van de reagentia + de katalysator ) klopt mijn redenering ?

Vraag 7 serie 6,1 : Waarom schuift hier het evenwicht naar links , met welke moleculen gaat NaoH reageren ? En welk mechanisme gebruikt ge om dat te bepalen.

Vraag 9 serie 6,1 : Is het hier dat bij een temperatuurstijging het evenwicht schuift naar de kant die de warmte verbruikt dus naar links en daardoor de conc. So3 gaat dalen , vraag is nu , is het altijd dat de reagens energie verbruiken om producten te kunnen vormen ?

2019-05-15 13:37:09 -0500 edited question Chemie - Reeks B: 7.1.2

Beste

Zou het mogelijk zijn om deze oefening uit te leggen.

Alvast bedankt

2019-05-15 13:35:29 -0500 commented answer Chemie: 10.2.3 reeks B

Het zijn 9 isomeren. We nemen hier niet de ringstructuren mee daar dit de opgave niet realistisch zou maken voor het toelatingsexamen.

2019-05-15 13:34:30 -0500 answered a question Chemie: 10.2.3 reeks B

image description

2019-05-15 13:29:48 -0500 commented answer Chemie: 10.3.3 Reeks B

Dat is correct en dat is dus een secundair alcohol. In deze molecule vinden we twee secundaire alcoholen en kunnen dus een DI-keton maken.

2019-05-15 13:24:51 -0500 commented answer Chemie 10.2.1 reeks A

Oplossing A is het juiste antwoord = 5 isomeren

2019-05-15 13:15:39 -0500 commented answer Chemie - Reeks B: 7.1.2

Helemaal correct geredeneerd !

2019-05-15 07:47:25 -0500 commented answer Chemie reeks A 4.1 vraag 9

Ahja, ik denk dat ik het gevonden heb. Antwoord B; Als je C1 . V1 = C2 . V2 doet, krijg je hier; 2,50mol/L . 0,02L = x . 0,25L dit geeft -> (2,50mol/L . 0,02L) / 0,25L = 0,200 mol/L -> dit is de eindconcentratie die hij wilt.

2019-05-14 16:10:46 -0500 commented answer Chemie reeks A 4.1 vraag 9

Is oplossing A correct? Thibaut neemt met de pipet 25 ml uit de fles NaOH met een concentratie van 2,5 mol/l en brengt die hoeveelheid over in een maatkolf van 250 ml waarna hij aanlengt met water tot 250 ml. Is het aantal mol dat hij in zijn pipet had gelijk aan deze in de maatbeker? Indien ja = OK

2019-05-14 11:40:39 -0500 answered a question Chemie reeks A 4.1 vraag 9

Om deze opgave op te lossen dien je de verschillende mogelijkheden af te toetsen.

Het aantal mol NaOH in je pipet moet gelijk zijn aan het aantal mol NaOH in je maatkolf.

Kan je nagaan voor welk van de 4 mogelijkheden dat het geval is.

Lukt het op deze manier?

2019-05-12 16:39:14 -0500 answered a question Chemie: 10.2.3 reeks B

Bepaal eerst het aantal onverzadigdheden. Je kan vaststellen dat er één onverzadigdheid is en dat je dus op zoek moet naar moleculen die alkenen zijn. (ringstructuren zijn hier niet nodig want dat zou het aantal nog een heel stuk verhogen). Je moet enkel de plaatsisomeren en ketenisomeren zoeken, geen stereo-isomeren.

Post je antwoord (zie vorige vraag) dan kunnen we verder op zoek naar de juiste oplossing.

2019-05-12 16:35:02 -0500 answered a question Chemie 10.2.1 reeks A

image description

2019-05-12 16:27:03 -0500 answered a question Chemie: 10.3.3 Reeks B

Een primair alcohol wordt geoxideerd tot een aldehyde, een secundair alcohol tot een keton en een tertiair alcohol kan niet worden geoxideerd.

Zet dat je verder op weg?

2019-05-12 10:45:54 -0500 commented answer Chemie Serie7.1 oef 12

Deze maal 20 doen is wel correct. In het begin heb je dus 20 x 10^-2 mol = 200 x 10^-3 mol NaOH en op het einde heb je 20 x 10^-3 mol NaOH. Er verdwijnt dus 180 x 10^-3 mol NaOH en dus heb je hiervoor zoals je aangeeft 0,18 mol HCl nodig. De oplossing is dus 0,18 mol x 22,4 l/mol = 4.032 liter.

2019-05-12 10:38:36 -0500 answered a question Chemie - Reeks B: 7.1.2

We kunnen samen een analyse van de opgave maken om dan nadien door redenering tot een oplossing te komen.

Je hebt een oplossing kopersulfaat in een maatbeker. Dit is een zout dat goed oplosbaar is (kan je afleiden met behulp van je informatieblad dat je ter beschikking hebt tijdens het toelatingsexamen). Kan je dat terugvinden? De geleidbaarheid van deze oplossing wordt weergegeven in de grafieken in functie van de hoeveelheid toegevoegde Bariumhydroxide.

Je gaat nu Bariumhydroxide toevoegen. Welke reactie treedt er op in je maatbeker wanneer je aan kopersulfaat bariumhydroxide toevoegt?

Welke invloed heeft dit op de geleidbaarheid. Welke twee grafieken kun je dus al uitsluiten?

Kan je zelf de laatste stap maken om via de formule n1 = n2 op het moment dat de geleidbaarheid 0 is de juiste grafiek te kiezen?